Column Gabbi Mesters: “Meer mensen bereiken? Dan moeten we anders durven financieren”
Het was 2011, nu vijftien jaar geleden. Halbe Zijlstra was staatssecretaris en hij vond dat de cultuursector flink moest bezuinigen. Op dat moment verscheen een artikel van politicoloog Paul Schnabel, waarin hij de sector adviseerde zich meer te richten op ouderen. Zij hebben tijd en geld, redeneerde hij, en dat zijn twee bepalende factoren voor cultuurbezoek.
Samen met toenmalig Fonds-directeur Jan-Jaap Knol heb ik toen een pleidooi gehouden om een regeling in het leven te roepen, specifiek voor ouderen. Dat ging bepaald niet vanzelf, we moesten er echt voor lobbyen. Want in die tijd had je een aparte regeling voor amateurkunst, eentje voor participatie, een voor educatie en een voor erfgoed – maar een verbinding met het sociaal domein bestond nog niet. Dat was het moment waarop ik begreep: de klassieke manier van subsidie verstrekken, bereikt niet iedereen. En: als je meer mensen wilt bereiken, moet je ook anders durven financieren.
Dat inzicht heeft me sindsdien niet losgelaten. Integendeel.
Cultuurbeoefening ontstaat in buurthuizen, op schoolpleinen, in online gemeenschappen, en wordt gedragen door mensen en lokale netwerken die het gewoon ‘doen’. Maar juist die mensen vertellen ons – en dat bevestigt ook ons recentste waarderingsonderzoek – dat zij het aanvraagproces ingewikkeld en bureaucratisch vinden. Voor een beginnende maker, een erfgoedvrijwilliger of een jonge kunstenaar die een eerste vingeroefening wil doen, is een uitgebreide subsidieaanvraag vaak een brug te ver. Terwijl zij precies degenen zijn voor wie wij op aarde zijn.
Dat moet dus anders.
Samen met Voordekunst (opent in nieuw tabblad), het Cultuurfonds (opent in nieuw tabblad) en het VSBfonds (opent in nieuw tabblad) ontwikkelen we een nieuwe aanvraagroute voor kleinschalige projecten. Voor alle disciplines, van theater en muziek tot erfgoed en spoken word. Het gaat om aanvragen tot 1000 euro. Het idee is dat we een korte check doen, en het geld binnen zeven weken op de rekening van de aanvrager storten. Geen zware procedure, geen langdurige beoordeling, maar een snelle, toegankelijke manier om een idee binnen de kortste keren van de grond te krijgen.
Maar er is meer. Door publieke middelen te koppelen aan crowdfunding werkt elke euro als een hefboom. Uit onderzoek blijkt dat de inzet van zo’n 500.000 euro per jaar meer dan 550 initiatieven kan ondersteunen, waarbij via crowdfunding minstens een miljoen euro extra wordt opgehaald en jaarlijks meer dan vijftienduizend donateurs betrokken raken. Eén euro belastinggeld kan op die manier oplopen tot 4 euro aan particuliere bijdragen. Dat is geen boekhouden, dat is een beweging.
En er is een derde weg, en die spreekt mij nog meer aan.
Tijdens een bijeenkomst hoorde ik de voormalig directeur van het Prins Claus Fonds spreken. Hij komt uit Zuid-Afrika, waar al langer wordt gewerkt met zogeheten trust-based financieren. Hij zei iets wat bleef hangen: ‘de ontspanning die ontstaat als je erkenning krijgt, geeft iemand vleugels.’ Dat is precies wat ik zie bij de pilot die wij sinds 2025 draaien. Organisaties die we meerjarig steunen, met minder nadruk op uitgebreide verantwoording en meer ruimte voor autonomie, blijken stabieler te opereren, meer te innoveren en beter aan te sluiten bij wat werkelijk leeft in hun gemeenschap.
Niet wij, maar zij bepalen de inhoud en de uitvoering. Dat doen we bewust. Want als wij het stuur blijven vasthouden, missen we precies de kennis en de context die deze mensen wél hebben.
Dat vraagt iets van ons als fonds. Wij zijn een Rijkscultuurfonds, gebonden aan het algemeen bestuursrecht, aan termijnen en verantwoordingsregimes. De spanning tussen aan de ene kant vertrouwen geven en aan de andere kant publieke verantwoordelijkheid dragen, is reëel. Die kunnen we niet oplossen, maar we kunnen er wel mee leren omgaan. Vanaf dit jaar werken we samen met zes organisaties uit The Culture, elk drie jaar lang, in een gezamenlijk leertraject met het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie (opent in nieuw tabblad) namens de zes Rijkscultuurfondsen. We onderzoeken, we kijken wat werkt, we passen aan.
Want dat is uiteindelijk wat dit is: een zoektocht. Naar hoe we geld dichter bij de praktijk kunnen brengen. Naar hoe verschillende bronnen elkaar kunnen versterken. Naar hoe een fonds zich kan ontwikkelen van beoordelaar tot een partner, zonder de verantwoordelijkheid voor publiek geld uit het oog te verliezen.
We zijn een lerende organisatie en daardoor zullen we het in dit proces ongetwijfeld niet allemaal perfect doen, maar zonder wrijving geen glans.
Gabbi Mesters is directeur-bestuurder van het Fonds voor Cultuurparticipatie.