woensdag 17 Oktober 2018
dit is het online magazine van het Fonds voor Cultuurparticipatie. wil je een aanvraag doen, kijk dan op onze website

1000 talenten, 4 jaar gevolgd

Don't hit mama

Bureau ART en de Erasmus School of History, Culture and Communication van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) volgden in opdracht van het Fonds voor Cultuurparticipatie van 2013 tot en met eind 2016 de ontwikkeling van zo’n 1.000 jonge talenten die deelnamen aan de 13 projecten die door het Fonds werden gesubsidieerd in het kader van de meerjarige regeling Talentontwikkeling en Manifestaties. De 13 projecten werden voor het onderzoek aangevuld met vier projecten op het gebied van theater, omdat deze discipline in de subsidietoekenningen ondervertegenwoordigd bleek. Na vier jaar onderzoek naar talentontwikkeling in de kunsten zijn dit de belangrijkste conclusies.

Het proces van talentontwikkeling

  • Het proces van talentontwikkeling verloopt in elke discipline (muziek, dans, theater, urban enz.) en subdiscipline (popmuziek, klassieke muziek enz.) weer anders. De leeftijd waarop talenten zich gericht beginnen te ontwikkelen en beslissingen nemen over hun toekomst varieert, net als het formele onderwijs dat wordt gevolgd, de voorzieningen die er zijn om de betreffende discipline te beoefenen, de motivaties om deze voorzieningen te benutten en de aansluiting tussen vrijetijdsactiviteiten en het formele (kunstvak)onderwijs.
  • Veel jongeren switchen tijdens het proces van talentontwikkeling naar een andere discipline of beoefenen diverse disciplines tegelijkertijd. Op latere leeftijd neemt de focus op één discipline wel enigszins toe, maar ook dan worden nog vaak diverse (sub)disciplines gecombineerd. Crossovers en multidisciplinariteit worden daarbij steeds belangrijker.
  • Talentontwikkeling verloopt in de praktijk vaak niet lineair naar een hoger niveau, maar in een grillig patroon, waarbij zijpaden worden ingeslagen, andere disciplines worden verkend of verschillende disciplines worden gecombineerd. De groep jongeren die niet-lineair hun talenten ontwikkelt neemt volgens begeleiders en docenten toe, de groep die tamelijk lineair hun talenten ontwikkelt neemt af.
  • De motieven om aan een project deel te nemen, de effecten die deelnemers van hun deelname verwachten en de tijdsbesteding aan talentontwikkeling zijn de belangrijkste voorspellers van de loopbaan van de talenten in de kunsten.

 

'Ik wil vooral nog beter worden. Ik ben al vroeg begonnen en heb me kunnen ontwikkelen tot op een redelijk niveau. Maar ik wil er zoveel mogelijk uithalen, door bijvoorbeeld lessen bij andere docenten te volgen.'
'Ik denk dat ik begonnen ben toen ik vijf was, met ballet, of nou ja, meer een beetje met kleuters hoelahoepen. We waren daar niet met technieken bezig. Toen ik zeven was ben ik op een toneelschool gegaan met dans en toneel. Dat was in Suriname, daar heb ik drie jaar gedanst. Toen terug in Nederland begon ik bij Solid Ground Movement.'

De projecten

• De jonge talenten hebben over het algemeen grote waardering voor de (door het FCP gesubsidieerde) projecten waar zij aan deelnemen. Zij geven in ruime meerderheid aan dat zij in de projecten mensen ontmoeten die hun passie delen, dat zij er veel leren (zowel van de begeleiders/ docenten als van de andere deelnemers) en dat de contacten met de andere deelnemers meestal goed zijn. De kwaliteit van de docenten en begeleiders wordt doorgaans hoog ingeschat.
• Het laagst scoren de talentontwikkelingsprojecten bij de deelnemers op de aspecten ‘Je moet hard werken om mee te kunnen komen’ en ‘Het kost je heel veel tijd’. In de beleving van de deelnemers wordt in de projecten de lat vaak niet erg hoog gelegd. Dit kan overigens ook een gevolg zijn van de passie waarmee de deelnemers zich inzetten, waardoor zij niet het gevoel hebben dat zij hard moeten werken.
• De door de deelnemers ervaren kwaliteit van het project heeft weinig invloed op de ambities van deelnemers om professional te worden. De meerwaarde van de projecten blijkt vooral in de bijdrage die ze leveren aan het inzicht dat deelnemers krijgen in hun eigen kwaliteiten en het leggen van contacten die kunnen helpen bij hun verdere ontwikkeling. Ook noemen de deelnemers zelf de (speel)ervaring die ze hebben opgedaan, de technische en artistieke vorderingen die ze hebben gemaakt en de zakelijke inzichten en vaardigheden die ze hebben verworven. Bovendien geven zowel deelnemers als hun begeleiders/ docenten aan dat deelname aan de projecten een grote bijdrage heeft geleverd aan hun persoonlijke en sociale ontwikkeling.

 

'Het grootste wat het me heeft gebracht is persoonlijke groei, waardoor ik ook als danser kon groeien. Het heeft me zelfvertrouwen gegeven waardoor ik een eigen onderzoek naar dans en mezelf kon uitvoeren. Daardoor heeft het mij ook in het gehele leven sterker gemaakt.'

Ambitie en motivatie van jonge talenten


• Ruim 40% van de jonge talenten wil later professional worden en kunnen leven van kunstbeoefening. Er is een sterke samenhang tussen de motieven om aan een project deel te nemen en deze wens om professional te worden.
• Jonge talenten die de ambitie hebben om professional te worden, oefenen twee tot drie maal zoveel uren als jongeren die geen professionele ambities hebben. Zij voldoen vaak aan de door Ericsson c.s. geformuleerde voorwaarde om minimaal 1.000 uur per jaar te oefenen. De bereidheid om veel en vaak te oefenen is een belangrijke voorspeller van de latere loopbaan in de kunsten.
• Een sterke wil om jezelf te ontwikkelen, gezien en gestimuleerd worden en een netwerk opbouwen, zijn doorslaggevend voor een succesvolle loopbaan in de kunsten.

'Omdat ik het heel tof vind om te doen en omdat ik mijn ei erin kwijt kan. Het gaat me niet om de resultaten. Als het me daar om ging dan was ik allang gestopt. Zo super geweldig is het ook allemaal niet. Ik ben content. Ik ben gelukkig. Ik maak muziek en daar ben ik hartstikke blij mee. Ik verdien er ook nog mee.'
'Nu ben ik per week wat minder aan het spelen dan vorig jaar. Ik werk nu ongeveer 50 uur per week aan een project voor mijn opleiding elektrotechniek. Daarnaast besteed ik drie of vier keer per week 2,5 uur aan repetities en gemiddeld vier uur per week aan zelfstudie.'

De aansluiting met het kunstvakonderwijs


• Voor bijna de helft van de deelnemers was een belangrijk motief om deel te nemen aan een talentontwikkelingsproject dat zij door hun deelname hun kansen wilden vergroten om toegelaten te worden tot een hbo-vakopleiding. Dit motief speelde het meest bij theater (60%), gevolgd door urban (42%) en klassieke muziek (39%).
• Van de jonge talenten die hbo-kunstvakonderwijs volgden, vindt 83% aan het eind van het onderzoek dat de activiteiten die zij naast hun schoolopleiding hebben gedaan (inderdaad) een goede voorbereiding zijn geweest op de opleiding. Bij de conservatoriumstudenten is dit 91%, bij de toneelacademie 86% en de academie voor beeldende kunst 50%.
• Iets meer dan de helft van de jonge talent vindt dat de hbo-instelling voldoende waardering heeft voor de ervaringen die zij in de vrije tijd hebben opgedaan (conservatoriumstudenten en toneelacademie 57%, academie voor beeldende kunst 36%).

'Nu ik in mijn derde jaar van de Toneelacademie zit, is dit heel merkbaar geworden. Eigenlijk heb ik in mijn ontwikkeling op school tot nu toe altijd voorgelopen op mijn klas. Dat wil zeggen dat ik veel basisprincipes al verworven had, waardoor ik gedurende de opleiding veel meer vrijheid had om zelfonderzoek te doen. Ofwel geëngageerder te werk te gaan dan voor de opleiding.'

De keten van talentontwikkeling


• De (lokale) infrastructuur van kunstinstellingen blijkt van groot belang voor de ontwikkeling van jonge talenten. Bijna alle jonge talenten hebben eerder ervaring opgedaan bij (lokale) muziekscholen, dansscholen, theaterscholen of kunstencentra, of deelgenomen aan wedstrijden of concoursen.
• In vergelijking met andere terreinen, zoals sport, blijkt bij talentontwikkeling in de kunsten de samenhang tussen de diverse vrijetijdsactiviteiten en projecten vaak nog gering, hoewel er ook goede voorbeelden zijn. De meeste samenhang is er nog bij klassieke muziek en theater, maar in elke discipline geven de jonge talenten (en hun begeleiders) aan dat de overgangen tussen de diverse projecten en activiteiten verbeterd kunnen worden.
• Verbetering van de samenhang tussen de talentontwikkelingsactiviteiten en daarmee van de samenwerking tussen diverse instellingen (ook over de grenzen van hun eigen discipline heen) wordt in de toekomst des te belangrijker, omdat de ontwikkelingspaden van de jongeren steeds minder lineair verlopen.

'De instroom naar JON toe komt grotendeels uit lokale en regionale jeugdorkesten, die op hun beurt weer verbonden zijn met muziekscholen/kunstencentra. Dat is de kweekvijver, onze natuurlijke achterban. Die vijver wordt wel minder groot: de infrastructuur kalft af. Het wordt moeilijker om groepen kinderen te vinden die al samenspelen.'

Blended learning


• In de praktijk maken bijna alle jonge talenten gebruik van de mogelijkheden die het zogeheten Web 2.0 biedt bij de ontwikkeling van hun kunstzinnige talenten, naast of in aansluiting op hetgeen zij in de projecten leren. Zij doen dat door zichzelf met (aankondigingen van) kunstuitingen, optredens e.d. te presenteren op YouTube, Facebook en Instagram, door inspiratie op te doen door het bekijken van presentaties, filmpjes e.d. van anderen, door instructiefilmpjes en digitale lessen te bekijken of soms door wedstrijdjes of battles aan te gaan met andere jongeren.

'Dat werkt ook wel goed, ik heb hier wel een goed netwerk opgebouwd. … er zijn heel veel dichters die dat op Facebook plaatsen, dus dat lees je dan en jouw werk wordt gelezen … Het leuke is: het wordt ook gelezen door mensen die niets met poëzie hebben en dat vind ik het allerleukst.'

De factor milieu


• Milieu is een belangrijke factor is bij talentontwikkeling. Er is een duidelijke relatie tussen de kunstdiscipline en het opleidingsniveau van de deelnemers. In talentontwikkelingsprojecten zijn vmbo’ers doorgaans ondervertegenwoordigd en havo/ vwo’ers oververtegenwoordigd. Deelnemers aan urban en theater volgen het vaakst vmbo; vwo’ers / gymnasiasten zijn sterk oververtegenwoordigd in de discipline klassieke muziek.
• Ouders van jonge talenten hebben bovengemiddeld vaak een opleiding op hbo- of universitair niveau genoten, met name bij klassieke muziek. Bovendien beoefenen de ouders van jonge talenten vaak zelf ook de discipline waarin zij actief zijn; in de talentontwikkelingsprojecten op het gebied van (klassieke) muziek gaf meer dan 80% van de deelnemers aan dat moeder en/ of vader zelf ook actief muziek beoefende.

'Ik ben al heel vroeg in contact gekomen met theater omdat allebei m’n ouders ook toneel spelen. Ik heb toen heel veel toneel gezien … toen ik vier was speelde mijn vader mee met [het] theater … Iedere avond zat ik op de eerste rij mee te zingen met de liedjes … Vanaf dat moment wist ik al dat ik ook toneel wilde spelen.'
'Vaak hoor je muzikanten of studenten die heel erg gepusht zijn door hun ouders of misschien niet eens gepusht, maar dat heel erg hebben meegekregen. Dat heb ik niet. Soms vind ik het jammer, maar als ik er wat rationeler over nadenk ben ik er alleen maar blij mee eigenlijk, dat het zo is gegaan. … Mijn ouders zijn super steunend, zeg maar. Ze zijn daarbij ook mijn grootste fans, alleen ze snappen niet helemaal wat ik aan het doen ben.'

Ondersteuning


• Ouders en vrienden/ vriendinnen zijn voor jonge talenten de belangrijkste steun bij hun ontwikkeling, vooral bij de beslissing om aan een project te gaan deelnemen en bij de beslissing om na een periode van tegenslag toch door te gaan. Hoe jonger de talenten, hoe vaker ouders de belangrijkste steun zijn; bij het ouder worden nemen vrienden/ vriendinnen die plaats in.
• Er zijn ook hierbij verschillen per discipline. Ouders spelen een relatief grote rol bij theater en klassieke muziek; bij urban en popmuziek zijn vooral vrienden/ vriendinnen belangrijk. Hoe meer de uitgeoefende discipline onder de noemer popcultuur valt, hoe belangrijker de rol van leeftijdsgenoten.
• De steun van ouders of vrienden blijkt echter meestal niet beslissend bij de keuze van jongeren om wel of niet een professionele loopbaan in de kunsten te ambiëren.
• Docenten buiten school (van kunstencentra, muziekscholen, theaterscholen e.d.) kunnen eveneens een belangrijke bron van steun zijn, maar de rol van docenten in de (middelbare) school is in de praktijk (zeer) beperkt. Tegelijkertijd blijkt dat als er wel sprake is van steun van een docent op school, deze doorslaggevend kan zijn voor de ambitie om professional te worden.

'Een dansdocente die ik nog kende van een vorige vooropleiding, heeft me moed ingesproken toen het even wat minder was. En ik heb zo nog 8 docenten die mij aanbieden dat ik ze kan bellen om even te praten (niet dat het slecht met me gaat, maar vanuit betrokkenheid).'
placeholder

Meer weten?

Alle deelrapportages zijn te lezen via onze website. 

Bijeenkomt: ‘De toekomst van talent’
Op dinsdag 28 november brengt het Fonds voor Cultuurparticipatie verschillende perspectieven samen om belangrijke vragen over de toekomst van talentontwikkeling te beantwoorden. Hoe ziet een gezond ecosysteem voor talentontwikkeling er in 2021 uit en wie heeft welke rol? Tijdens één van de deelsessies worden de resultaten van het vierjarige volgonderzoek gepresenteerd. Ook de thema’s van de andere deelsessies komen onder andere voort uit dit onderzoek. Meer info

Dit artikel heeft betrekking op de volgende regeling(en) van het Fonds voor Cultuurparticipatie website: Talent en festivals

Dit artikel is een portret uit de reeks verhalen die we delen binnen het programma: Cultuur maakt iedereen